Nederlandse kinderen krijgen later vrijheid op de fiets dan elders in Europa
Nederlandse kinderen krijgen later de vrijheid om zelfstandig te fietsen dan kinderen in Finland, blijkt uit een analyse van AGU. Slechts 11 procent mag vóór het achtste jaar alleen naar school fietsen, terwijl in Finland een meerderheid die vrijheid al rond het zevende jaar krijgt. Nederlandse kinderen fietsen op jonge leeftijd veel, maar vaak nog onder begeleiding. In Finland krijgen kinderen die zelfstandigheid doorgaans eerder.
“Nederland heeft de naam fietsland te zijn, maar dat gaat vooral over volwassenen”, zegt Jan Wilgenburg, fietsexpert bij AGU. “Zodra het om kinderen gaat, zijn we voorzichtiger dan landen die veel minder bekendstaan om het fietsen. Dat zegt iets over hoe we naar risico kijken, niet per se over hoe veilig het hier daadwerkelijk is.”
Alleen naar school fietsen is nog niet vanzelfsprekend
De Nederlandse cijfers van Veilig Verkeer Nederland laten zien hoe geleidelijk kinderen zelfstandigheid krijgen. Bijna de helft van de ouders, 48 procent, wacht tot hun kind acht, negen of tien jaar is voordat het alleen naar school mag fietsen. Nog eens 23 procent geeft die vrijheid pas vanaf elf jaar. Daarmee krijgt een groot deel van de Nederlandse kinderen pas relatief laat de ruimte om zelfstandig op pad te gaan.
Cijfers van het Mulier Instituut laten zien dat twee derde van de basisschoolkinderen die naar school fietsen dat samen met een ouder doet. Ongeveer een kwart fietst alleen. Tegelijkertijd fietst slechts een kwart van alle basisschoolkinderen die kunnen fietsen iedere dag naar school. De dichtstbijzijnde basisschool ligt in Nederland gemiddeld op ongeveer 800 meter afstand.
Het verschil met Finland zit daarmee niet alleen in hoeveel er wordt gefietst, maar vooral in de vrijheid die kinderen krijgen. Finland staat bovenaan een internationale vergelijking van zestien landen naar zelfstandige bewegingsvrijheid. Zelfstandig op pad gaan is er op jonge leeftijd gebruikelijker, mede door minder autoverkeer, rustige schoolroutes en veel vertrouwen in de directe leefomgeving. Daardoor geven ouders hun kinderen eerder die vrijheid.
Wat Nederland kan leren van andere landen in Europa
Nederland kan voor mogelijke oplossingen ook dichter bij huis kijken. In Duitsland krijgen kinderen al op jongere leeftijd praktische fietstraining en wordt hun verkeersvaardigheid op de basisschool getoetst. In Nederland vindt het VVN Verkeersexamen doorgaans pas plaats in groep 7 of 8, wanneer kinderen ongeveer tien tot twaalf jaar oud zijn.
Denemarken laat ondertussen zien welke rol de inrichting van de omgeving kan spelen. Door fietsroutes en schoolomgevingen zo in te richten dat kinderen minder direct met autoverkeer in aanraking komen, wordt zelfstandig fietsen minder afhankelijk van de afweging van individuele ouders.
Ook Nederlandse cijfers wijzen erop dat de omgeving belangrijk is. Ouders van kinderen die nooit naar school fietsen, wijzen oorzaken aan als een drukke schoolroute en vinden de afstand vaker te groot dan ouders van kinderen die wel fietsen.