Jongeren die deels opgroeiden in een huishouden met bijstand hebben minder vaak werk
Van de 29-jarigen die tussen hun 12e en 18e vijf jaar of langer in een huishouden opgroeiden dat een bijstandsuitkering kreeg, werkt 69 procent. Ongeveer 20 procent is afhankelijk van een uitkering. De groep die werkt, heeft een lager uurloon, vaker een tijdelijke arbeidsrelatie en werkt minder uren per week. Ook hebben ze minder vaak een hbo- of wo-diploma. Jongeren die niet in een huishouden met bijstand opgroeiden, hebben op hun 29e vaker werk (89 procent) en minder vaak een uitkering (6 procent). Dit meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van nieuw onderzoek.
De cijfers gaan over 186 duizend mensen die in 2013 18 jaar zijn geworden en die van hun 12e tot 18e jaar in Nederland woonden. Zij werden in 2024 29 jaar. Per maand is vanaf het 12e jaar tot en met het 29e jaar naar verschillende kenmerken gekeken zoals persoons-, huishoudens- en inkomensgegevens.
1 op de 10 jongvolwassenen groeide (deels) op in een huishouden met bijstandsuitkering
In de onderzochte groep groeiden verreweg de meeste jongvolwassenen (90 procent) in een huishouden dat nooit gebruikmaakte van de bijstand. 3 procent groeide op in een huishouden dat vijf jaar of langer bijstandsgerechtigd was. De overige 7 procent leefde één tot vijf jaar in een huishouden met bijstand.
1 op de 5 heeft hbo- of wo-diploma
Op 29-jarige leeftijd zijn vrijwel alle jongvolwassenen klaar met hun opleiding. Van de groep die deels opgroeide met bijstand, heeft ongeveer 20 procent op die leeftijd een hbo- of wo-diploma behaald, en ongeveer 55 procent een havo-, vwo- of mbo-diploma (niveau 2 of hoger). Het aantal jaren dat het huishouden bijstand kreeg, maakt daarbij weinig verschil.
Van de groep die niet in een huishouden met bijstand opgroeide, heeft 50 procent een hbo- of wo-diploma en 43 procent een havo-, vwo- of mbo-diploma (niveau 2 of hoger) behaald.