De vrouw had haar zoon een zak over het hoofd getrokken, waarna hij is gestikt. De vrouw wilde daarna zelfmoord plegen, maar dat mislukte. Ze had naar eigen zeggen problemen in de relationele sfeer en zorgen over haar zoon, die ze niet meer aankon. In een afscheidsbrief legde de vrouw uit waarom ze zichzelf en haar zoon wilde doden. De rechtbank leidt uit dit bewijs en andere bewijsmiddelen af dat de vrouw al langere tijd bezig is geweest met het plan om haar zoon en zichzelf te doden. Daarom oordeelde de rechtbank dat er sprake was van voorbedachte raad en daarmee van moord.
De opgelegde straf was gelijk aan de eis van de officier van justitie. De rechtbank hield bij het opleggen van de straf onder meer rekening met het feit dat de vrouw een gruwelijk feit heeft gepleegd voor de nabestaanden, met name de vader van jongen.
De rechtbank hield er daarnaast rekening mee dat de vrouw volgens deskundigen verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank woog ook mee dat ook de vrouw zelf haar daad de rest van haar leven met zich zal moeten meedragen. Aangezien de kans op herhaling klein wordt geacht, kwam het opleggen van tbs niet in beeld.